[ Welkom ] [ Het waarom ] [ Examens ] [ Morse sectie ] [ QTH Locator ] [ Lijsten / Tabellen ] [ Documenten ] [ Link Sectie ]
Bij modulatie wordt een laagfrequent signaal (spraak, tekst of data) op een hoogfrequente draaggolf gezet.
De seinsleutel zet de draaggolf aan en uit; alleen geschikt voor tekst (morse). CW heeft de kleinste bandbreedte. Steile flanken geven sleutelclicks en dus een bredere uitzending; een laagdoorlaatfilter in de sleutelleiding rondt de flanken af. De eindtrap mag in klasse C staan.
De amplitude van de draaggolf volgt het modulerende signaal; de frequentie van de draaggolf blijft constant. De modulatiediepte loopt van 0 tot 100%; bij 100% schommelt de amplitude tussen 0 en 2 x de draaggolf. Meer dan 100% (overmodulatie) geeft vervorming en extra bandbreedte. Er ontstaan twee zijbanden op fd − fm en fd + fm. Bij 100% heeft elke zijband de halve spanning en een kwart van het vermogen van de draaggolf: 100 W draaggolf plus 2 x 25 W zijbanden. Met modulatie levert de zender dus meer vermogen dan zonder.
Een balansmodulator onderdrukt de draaggolf, een zijbandfilter verwijdert één zijband: al het vermogen zit in de zijband die de informatie draagt. Bovenzijband (USB) of onderzijband (LSB). Zonder modulatie is er geen uitgangssignaal. Met één toon is het uitgangssignaal één sinus met constante amplitude, op fd + ftoon (USB). Voorbeeld: 7 MHz, USB, tonen 1000 en 1800 Hz geeft 7001 en 7001,8 kHz.
Bij FM volgt de frequentie van de draaggolf de momentele waarde van het modulerende signaal; de amplitude blijft constant. Het zendvermogen hangt daarom niet af van de modulatie: een gloeilamp als belasting blijft constant branden. Bij PM verschuift de fase; de zwaai hangt dan af van de amplitude én de frequentie van het modulerende signaal.
De zwaai Δf is de grootste afwijking van de draaggolffrequentie, in hertz. Hij wordt bepaald door de amplitude van het modulerende signaal; een te grote zwaai verhelp je door de modulerende spanning te verkleinen. Voorbeeld: zwaai 10 kHz en toon 2500 Hz geeft m = 4.
Op de oscilloscoop: bij AM volgt de omhullende de toon; EZB met één toon lijkt op een ongemoduleerde draaggolf, met twee tonen ontstaat een zwevingsbeeld; FM heeft een constante amplitude.
FSK: de frequentie springt tussen twee waarden (shift; bij amateurs meestal 170 Hz). PSK: de fase springt, bij 2-PSK 180°, bij 4-PSK 90°. QAM: amplitude én fase veranderen.
Bitsnelheid in bit/s, symboolsnelheid in baud. Met n bits per symbool zijn er 2n toestanden: 4-PSK 2 bits, 16-QAM 4 bits. Symboolsnelheid = bitsnelheid / bits per symbool: 4800 bit/s in 4-PSK is 2400 baud, 9600 bit/s in 16-QAM is 2400 baud. Tekst: 6000 tekens van 7 bits plus pariteitsbit in 1 minuut is 6000 x 8 / 60 = 800 bit/s. De bandbreedte groeit met de symboolsnelheid; FSK is in de praktijk iets breder dan de shift (170 Hz en 50 baud: ongeveer 250 Hz; dat is de waarde uit de examenvragen).